JANSKERK MIJDRECHT
11 JANUARI 2026
Schriftlezing: Mattheus 3, 1-17
Uitleg en verkondiging
Gemeente van onze Heer,
Johannes de Doper profeteert dat het Koninkrijk van God er aan komt. Is dat goed nieuws? Vindt u het goed nieuws? (…)
In de eerste instantie schat ik in dat wij dat goed nieuws vinden; dat we er naar uit zien. De liederen die er in het Liedboek over staan, zijn voor het grootste deel hoopvol en blijmoedig.
Maar… bij de tijdgenoten van Johannes de Doper is de aankondiging van het Koninkrijk van God aanleiding om naar Johannes toe te gaan, hun zonden te belijden en zich te laten dopen – zodat ze rein staan voor God als het koninkrijk komt. Want ze weten: als Gods heerschappij komt, als God gaat ingrijpen, als God gaat heersen dan wordt er orde op zaken gesteld, als het Koninkrijk komt. Leugens, leven alsof er geen God is, onderdrukking, valse beloften, oneerlijk zijn, overspel, pesten – kan niet in het Koninkrijk van God.
En als je leest hoe God gaat ingrijpen… Johannes presenteert het als onheil, als het komende oordeel. De bijl gaat erin, het kaf wordt van het koren gescheiden, er wordt gereinigd en wat onrein is wordt verbrand.
Goed nieuws voor slachtoffers van allerlei kwalijke praktijken door hun medemensen – maar ook een waarschuwing voor mensen die fout bezig zijn. Daarom gaan mensen massaal naar Johannes, om zich voor te bereiden op Gods ingrijpen. Zodat zij aan de kant staan die de HEER verkiest. Dat houdt concreet in: God dienen en fatsoenlijk handelen. Het klinkt eenvoudig – maar stel je eens voor hoe de wereld er uit zou zien als wat meer mensen dat deden. Vooral mensen met macht.
In onze dagen dreigt er enorm onheil. Elk moment kan er weer een oorlog ontploffen. Ook hier. Of een epidemie komen. Ook hier. Je zou je af kunnen vragen wat de HEER hier mee te doen heeft. Zeker kunnen we mensen verantwoordelijk stellen voor de puinhopen; maar zou het kunnen dat er ook iets aanwezig is van een oordeel van de HEER over de goddeloosheid en de begeerte en de mensonterende praktijken die tot de huidige ellende geleid hebben?
Er zijn onheilsprofeten genoeg opgestaan in de wereld, die gewaarschuwd hebben voor onheil en nog steeds waarschuwen voor nog meer onheil. Stel dat een Johannes de Doper was in onze tijd. Zouden mensen zich naar hem toe haasten om zich met God te laten verzoenen en zich te bekeren? En waar zou zo’n Johannes te vinden zijn? Denkt u dat de kerk een Johannes de Doper zou kunnen zijn?
In die tijd was er uiteraard geen kerk, maar de tempel. Dat was het officiële religieuze instituut, voor de eredienst en voor de dienst van verzoening. In de tempel kon je je zonden belijden, daar kon je offeren, schuldoffers. Je kon je daar reinigen om rein voor de HEER te staan. In de tempel kon je vergeving van zonden ontvangen.
Dan komt toch de vraag op: waarom gingen al die mensen, ook die uit Jeruzalem naar Johannes om zich te laten verzoenen en vergeving te ontvangen? Waarom gingen ze daar niet heen – maar naar die profeet op de grens van het Beloofde Land?
Johannes de Doper passeerde zelf de tempel ook. Door te dopen en te vergeven buiten de tempel om bekritiseerde hij stilzwijgend wat er in de tempel gebeurde. Het was niet de eerste keer dat een profeet kritisch tegenover de tempel stond. De profeet Jeremia bv profeteerde in zijn tijd ook tegen de manier waarop men met de tempel omging. Hij hield zijn tijdgenoten voor: wat heb je aan de eredienst, wat heb je aan offers als je ondertussen onrechtvaardig handelt, weduwen, wezen en vreemdelingen onderdrukt onschuldig bloed vergiet en andere goden achternaloopt? Dergelijke kritiek had Johannes de Doper ook op de tempel, en Jezus trouwens ook. De tempeldienaren gaven niet het goede voorbeeld. En als de leiding corrupt is werkt dat door naar de rest van het instituut. Het wordt ongeloofwaardig wat ze daar doen.
Maar de schare en Johannes passeerden de tempel. Het mag dan ook niet verwonderen dat uit Jeruzalem de Farizeeën en de Sadduceeën eens kwamen kijken wat er aan de hand was. Ik denk niet dat ze kwamen om zich te laten dopen.
De Farizeeën waren immers uiterst vroom – in ieder geval in hun eigen beleving. Ze hielden zich nauwkeurig aan de voorschriften. Ze zullen ook gewoon naar de tempel gegaan zijn om de voorgeschreven offers te brengen. Ze deden alle moeite om reinheid en heiligheid in het dagelijkse leven te betrachten – zij hadden het niet nodig om door Johannes gedoopt te worden.
De Sadduceeën hielden zich alleen aan de eerste vijf boeken van de Bijbel, ze kenden geen gezag toe aan de OT-profeten en andere boeken uit het OT. Zij vormden een tamelijk elitaire groep en waren vooral geïnteresseerd in de juiste uitoefening van de cultus, van de liturgie. Het schijnt dat een aantal van hen ook priesters waren. Ze waren dus ook nauw verbonden met de tempel en de verzoeningsriten in de tempel en hadden ook geen behoefte aan de doop van Johannes. Mogelijk zagen ze hem als concurrent. Ze verdienden niets aan de mensen die zich door Johannes lieten dopen.
Farizeeën en Sadduceeën kwamen die doop van Johannes eens beoordelen, om poolshoogte nemen. Het is toch van de gekke dat er iemand is die Gods vergeving proclameerde buiten hun tempel om?! Johannes vond overigens wel dat zij de doop nodig hadden. Hij waarschuwde hen ernstig dat zij, juist zij, zich moesten bekeren: ‘Addergebroed, wie heeft jullie wijsgemaakt dat je veilig bent voor het komende oordeel? Breng liever vruchten voort die een nieuw leven waardig zijn’. Die van de tempel moeten zich ook bekeren!
Er kwamen dus mensen uit Jeruzalem, Judea en de omgeving van de Jordaan – en er kwam ook iemand uit Galilea. Het Galilea der heidenen.
En die man was Jezus. Het is de eerste keer in het evangelie van Mattheus dat hij zelf handelt en spreekt. Tot dusver werd er met hem gehandeld, nu handelt hij zelf en wat hij deed is dat hij naar de Jordaan ging met de uitdrukkelijk wens om door Johannes gedoopt te worden.
Johannes wilde hem echter niet dopen. Hij probeerde het tegen te houden. Mattheus gebruikt daar een Grieks werkwoord dat weergeeft dat Johannes er echt fel op tegen was en alle mogelijke moeite deed om Jezus ervan te weerhouden dat hij zich door hem laat dopen.
Maar Jezus drong erop aan dat hij door Johannes gedoopt te worden. Want hij wilde Gods gerechtigheid vervullen; hij wilde, net als de andere dopelingen, recht doen aan God en zijn geboden.
En dan volgen de eerste woorden die wij uit Jezus’ mond vernemen in het Mattheus-evangelie. Toch moet je het doen, want zo dienen wij de gerechtigheid geheel en al tot vervulling te brengen.’
Toch moet je het doen. Met die woorden is iets aan de hand. In de vorige nieuwe bijbelvertaling stond Laat het nu maar gebeuren. In de NBG vertaling 1951: Laat mij thans geworden. Statenvertaling: Laat nu af.
Dat zijn allemaal weergeven van wat er in het Grieks staat. In het Grieks staat er een werkwoord dat verschillende betekenissen heeft die allemaal verband met elkaar houden: wegsturen, loslaten, loslaten van de zonden, dus ook: vergeven; in de steek laten of achterlaten. Wat Jezus zei, was: laat los, maak los, laat achter – vergeef! Gezien de context van de doop van Johannes– bekering, vergeving, doop, klinkt het ook niet raar dat Jezus tegen Johannes zei: vergeef nu! Vergeef mij nu. Hij was toch immers voor die doop helemaal uit Galilea gekomen. Het woord ‘vergeef’ dat Jezus hier gebruikt, komt later terug in het Onze Vader, in de bede ‘vergeef ons onze zonden’; dat ‘vergeef’ is hetzelfde woord als Jezus hier gebruikt: ‘vergeef nu’.
Jezus wist Johannes te overtuigen en Johannes doopte hem. Toen stemde Johannes ermee in, lezen we; maar daar wordt in het Grieks hetzelfde woord gebruikt als Jezus sprak: Toen vergaf Johannes. Jezus zei: vergeef me en Johannes vergaf hem.
Waarom dan al die andere vertalingen? Dat heeft te maken met andere Bijbelgedeelten en met de dogmatiek. Tientallen jaren nadat Mattheus zijn evangeliën schreef waren er mensen die schreven claimden dat Jezus zonder zonde was. Hun geschriften werden aan Paulus of Petrus toegeschreven en kwamen in de Bijbel terecht. En op de vroege concilies van de kerk werd de twee-naturenleer ontwikkeld en de drie-eenheid; dus ook de goddelijkheid van Jezus. En daarbij zijn zondeloosheid.
Maar als je dan terugleest bij Mattheus dat Jezus zegt: vergeef mij, vergeef nu – dat kan dan niet. Jezus kan niet om vergeving vragen want hij moet zonder zijn. Maar ja, Mattheus wist niets van die latere briefschrijvers en niets van de latere concilies en laat Jezus om vergeving vragen en vergeving krijgen.
Dat is waarschijnlijk de verklaring van al die uiteenlopen en onduidelijke vertalingen. Theologen zitten er mee in hun maag. Mattheus heeft het moeten afleggen tegen de dogmatiek.
Volgens Mattheus maakte Jezus het hele proces door van bekering, vergeving, en doop. En toewijding. Hij rekende zich tot de zondaren. Toen hij later mensen opriep tot berouw en bekering stond hij naast hen, te midden van hen – hij had het zelf ook gedaan. Jezus vroeg van zijn volgelingen niet meer dan hij van zichzelf gevraagd had. Maar ook niet minder.
Toen Johannes hem vergeven had en Jezus was gedoopt daalde de heilige Geest op hem neer en op dat moment werd hij geroepen tot zoon van God. Met woorden uit de hemel van God, ‘Dit is mijn geliefde zoon’, woorden die verwijzen naar Psalm 2, woorden waarmee de HEER zijn messiaanse koning aanstelt met de woorden: ‘Jij bent mijn zoon, Ik heb je vandaag verwekt. Zo ontving Jezus zijn roeping: Messiaans koning te zijn, de koning die komt in de Naam van de HEER.
Wat kunnen wij hier nu mee? Met het oog op deze tijd. Wat kunnen wij doen in de huidige chaos en dreiging. Wij hebben erg weinig macht. Net zo weinig als de mensen die naar Johannes kwamen. En toch kunnen we wat doen. En dat is: de raad van de profeten en van Johannes en ook van Jezus opvolgen: houd je aan het onderwijs van de HEER. Blijf vroom in gedachten, woorden en daden. Roep de HEER aan om wijsheid. Laat je niet verleiden om je aan te sluiten bij de machtigen – want zij zullen te gronden gaan. Zorg voor elkaar. Wees mild voor elkaar. Wees mild voor jezelf. Heel de bijbel door is dat het advies om in de chaos zelf overeind te kunnen blijven, wellicht zelfs steun en toeverlaat te zijn voor anderen: houd je aan wat de HEER gezegd heeft en beloofd heeft.
Ik herinner u nog maar eens aan de woorden van Franciscus van Assissi, een kleine en machteloze vrome.
Laat mij liefde brengen waar haat is,
Eenheid waar mensen verdeeld zijn,
Vergiffenis aan mensen die zwak zijn,
Laat mij hoop geven aan wie niet meer hoopt,
Geloof aan wie twijfelt;
Laat mij licht brengen waar het duister is
En vreugde waar mensen bedroefd zijn.
Heer, help mij
Niet zozeer om zelf gelukkig te zijn
Als anderen gelukkig te maken;
Niet zozeer om zelf begrepen te worden
Als anderen te begrijpen;
Niet zozeer om zelf getroost te worden
Als anderen te troosten;
Niet zozeer om bemind te worden als te beminnen;
Want als ik geef, zal mij gegeven worden
Als ik vergeef, zal mij vergeven worden,
Als ik sterf, zal ik voor eeuwig leven
Dat wij zo zullen leven!
Amen.