Inleiding op de lezingen
 
Normaal gesproken lezen we volgens de traditie in deze eerste zondag van de Veertigdagentijd over de verzoeking van Jezus in de woestijn. Maar daar hebben we het een paar weken geleden tijdens Epifanie al over gehad.
 
Ik heb gekozen voor een ander woestijnverhaal. Dat ook te maken heeft met verzoeking en het getal veertig.
 
Schriftlezing OT: Exodus 2, 11-25
Schriftlezing NT: Lukas 9, 51-56
 
Uitleg en verkondiging
 
Gemeente van onze heer Jezus,
 
Ik neem aan dat u allemaal bekend bent met het leven van Mozes. Zijn geboorte, zijn adoptie door de dochter van de farao. Opgevoed aan het hof. En dat wat wij zojuist gelezen hebben: hij sloeg een man dood…
 
Het is een zwarte bladzijde in de biografie van Mozes. De traditie zegt dat hij veertig jaar oud was toen dit gebeurde. Hij ging bij zijn broeders, de Hebreeërs kijken – want al was hij opgevoed aan het Egyptische hof, hij bleef een Hebreeër en begaan met het lot van zijn volk. Hij zag de zware slavenarbeid die zij moesten doen. En hij zag hoe een Egyptenaar één van zijn broeders afranselde. Hij sloeg hem dood – dat werd bekend en hij moest vluchten voor farao.
 
Het is een bijzonder verhaal. Het lijkt erop dat het pars pro toto het verhaal van de bevrijding van de Israëlieten uit Egypte vertelt.
 
Mozes gaat naar zijn broeders toe en komt hen te hulp. Dat doet hij hier – dat zal hij later doen, nadat de HEER hem geroepen heeft bij het brandende braambos.
 
Hij slaat de Egyptenaar. Dat doet hij hier, dat zal hij later doen, wanneer hij voor farao staat en hem de straffen van de HEER God aanzegt. Die broeder die hij te hulp snelt staat voor het hele volk Israël. De Egyptenaar die hij doodslaat staat voor heel Egypte.
 
Maar helaas. Het loopt helemaal niet goed af. Mozes moet vluchten en eindigt als vreemdeling in Midjan. Zijn bevrijdingsdaad heeft niet het gewenste resultaat. Het zal nog een generatie lang duren, veertig jaar, voordat de bevrijding uit Egypte komt.
 
Waarom ging het mis? Het lijkt zo duidelijk: Mozes komt te hulp, slaat Egypte en bevrijdt zo Israël. Die eerste twee dingen kloppen: Mozes komt te hulp, slaat Egypte, maar het derde klopt niet: de bevrijding blijft uit.
 
Waarom blijft de bevrijding uit?
 
Mozes ziet dat één van zijn volk, één van zijn broeders, afgeranseld wordt door zo’n slavendrijver. Een sterke man die een zwakkere ervan langs geeft. Je kunt je voorstellen dat hij boos wordt; dit is onrecht. Hij schiet te hulp, keert zich tegen de Egyptenaar. Dat is toch een goede daad, opkomen voor de zwakkere, bescherming bieden. Hij wendt zich niet af, hij loopt niet door, hij spring ertussen. Hij slaat de Egyptenaar dood.
 
En dan komen de vragen. Is het goed of is het niet goed? Zijn er verzachtende omstandigheden – stond hij in zijn recht? Moeten wij voor hem applaudisseren?
 
Voordat Mozes slaat, lezen we, kijkt hij om zich heen en hij ziet geen mens. Dat kun je op twee manieren uitleggen: hij kijkt of niemand ziet dat hij de Egyptenaar doodslaat. Of: hij kijkt of er iemand is die de arme man te hulp komt, maar er was geen mens die het voor hem opnam – daarom kwam Mozes hem in zijn eentje te hulp.
 
Hoe dan ook: Mozes slaat hem niet in een opwelling tegen de vlakte, en dood. Hij neemt de tijd om te kijken en te overdenken voordat hij ingrijpt. En als hij de man heeft gedood – misschien per ongeluk té hard geslagen? – begraaft hij hem in het zand. Zand er over. Mozes beschouwt het zelf als iets wat maar beter verborgen kan blijven. En dat is ook zo. Zodra de farao er lucht van krijgt moet Mozes ervandoor. Wat Mozes deed was een misdaad, die bestraft moet worden.
 
Zo komt de bevrijding er niet. Ik denk dat dat één van de dingen is die dit verhaal ons duidelijk wil maken: zo, zoals Mozes het doet, zo wordt Israël niet bevrijdt. Zoals Mozes de Egyptenaar slaat, doodslag, geen rechtszitting, – dat maakt de haat en de tegenstand alleen maar groter. Het roept vergelding op. Het moet op een andere manier. De manier van de HEER God.
In de loop van Exodus wordt dat duidelijk: niet Mozes bevrijdt op eigen initiatief en uit eigen kracht en met geweld Israël. Maar de HEER zal Israël bevrijden. Niet Mozes zal de Egyptenaar slaan maar de HEER God zal Egypte slaan. En als het gebeurt dat Egypte geslagen wordt mag iedereen het zien. En dan gaat het niet met het geweld dat Mozes gebruikt, maar met kracht die de HEER heeft.
 
Deze zwarte bladzijde van de biografie van Mozes maakt duidelijk: Mozes moet leren dat niet hij, maar de HEER Israël bevrijdt en dat hij moet afzien van geweld.
 
Er worden nogal wat oorlogen gevoerd in het Oude Testament, zeker ook in Exodus en bij de intocht in het Beloofde Land. Maar als daarbij geweld gebruikt wordt, dan is het de HEER God die daar toe de aanzet geeft.  En dan gaat het om vijanden die de HEER dwarsbomen.
 
Neem bijvoorbeeld Abram. Die kreeg indertijd van de HEER God de belofte dat Kanaän voor hem en zijn nakomelingen zou zijn. Maar er woonden al mensen. Abram trok het land door, hij bouwde altaren ter ere van God – maar hij nam het land niet met geweld in, hij verjoeg geen van de volkeren die er woonde – hij wachtte tot de HEER het hem zou geven. En uiteindelijk ontvingen de nakomelingen van Abraham het land – niet door menselijk geweld, maar door de HEER.
 
Of een ander voorbeeld: de inname van Jericho, een sterke stad, die veroverd moest worden om het Beloofde Land binnen te kunnen gaan. Die stad viel niet doordat de strijdbare mannen van Israël de stad belegerden en met wapens veroverden – maar de HEER liet de muren instortten.
 
Het lijkt wel een soort basisprincipe: als er gevochten moet worden voor vrijheid van Gods volk, dat Gods volk in vrede kan leven, dan vecht de HEER voor zijn volk. En zijn volk moet op hem vertrouwen, dat hij het op zijn manier doet.
 
Ik denk dat het daar om gaat: zoals Mozes hier de Egyptenaar slaat – hoe goed bedoeld ook, ingegeven door rechtvaardigheidsgevoel en woede, verontwaardiging – dan is toch de boodschap: het was fout. Nee Mozes, zo gaat de HEER niet te werk en zo moet dan ook jij niet te werk gaan. Dit is gewoon moord.  Zo doen de heidenen het, de Egyptenaren. Maar de HEER niet. Mozes en Israël moeten erop leren dat de HEER voor hen strijdt.
 
Mozes begrijpt dat hier nog niet.
Jezus begreep dat wel. Zijn leerlingen weer niet. Samaritanen willen Jezus en zijn leerlingen geen onderdak bieden – een grove zonde tegen de gastvrijheid. De leerlingen zijn zeer verontwaardigd: hoe durven die Samaritanen. Dan stellen ze voor vuur uit de hemel af te roepen om hen te verteren. En Jezus verbiedt het hen en wijst hen terecht. Als de HEER het nodig vindt om ze met vuur te straffen, dan zal hij dat zelf wel doen. Voor de leerlingen geldt: wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard vergaan. Is dat ook niet wat met Mozes gebeurd? Hij slaat iemand dood en raakt daardoor zijn eigen leven kwijt: zijn Hebreeuwse moeder en zijn Egyptische stiefmoeder, zijn aanzien, zijn positie, zijn broeders.
 
Het gaat hier in Exodus en Lucas om grote dingen: om de bevrijding van het volk – om verlossing, om het Koninkrijk van God. Het gaat niet zomaar om oorlogen om olie of rijkdom of uitbreiding van macht. Maar om Gods heerschappij, om een land waar zijn volk hem in vrede dienst. Cruciaal daarbij is dat inderdaad de HEER de koning is, de heerser. Mensen moeten als God heerst niet in zijn plaats willen gaan staan. God zal Egypte slaan, niet Mozes. God brengt het Koninkrijk – niet de leerlingen. Mozes en de leerlingen moeten leren niet op wapens te vertrouwen, maar op de HEER. Ik geloof niet dat de bijbel ons een volstrekt pacifisme leert – maar wel dat de leiders van Gods volk worden opgeroepen om niet eigenmachtig naar de wapens te grijpen om Gods heerschappij af te dwingen.
 
Dus: geen Egyptenaren doodslaan voor Mozes. Geen gewapende legermacht waar Jezus mee optrekt tegen de Romeinen. Geen kruistochten. Naar onze tijd toe betekent dat: geen bezette of betwiste gebieden voor het huidige Israël en geen muur. En zeker ook geen Islamitisch regime dat regeert door terreur.  Wat hier over Mozes vertelt is zo actueel – want hoe vaak grijpen vrome mensen naar de wapens en doden andere mensen in de overtuiging god te dienen. Net als Mozes. En dit verhaal zegt: nee, nee. Zo niet.
 
Nu moet u niet denken dat dat een passieve houding van mensen, leiders van Gods volk, vraagt: stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw. Maar dat is niet zo. Het vraagt zelfbeheersing. Het vraagt uithoudingsvermogen. Het vraagt oplettendheid: wat moet je doen in deze tijd? Het vraagt bovenal het allermoeilijkste wat er is in het geloof: vertrouwen in de HEER. Dat hij zijn belofte nakomt en ingrijpt op zijn manier. Ondertussen doe jij wat goed en rechtvaardig is en van naastenliefde getuigt.
 
En dat moet Mozes nog leren. Vertrouwen dat de HEER ingrijpt op zijn tijd en zijn manier. En dat hij zelf bepaalt op welke wijze hij ingrijpt.
 
Wat Mozes betreft: het eindigt met hem in de mineur. Het laatste wat we van hem lezen vandaag is dat hij een zoon krijgt en dat hij hem de naam Gersom geeft en de uitleg van die naam klinkt bitter: ik ben een vreemdeling, ik woon in een land dat ik niet ken.
 
En zo blijft het. Vele lange jaren. Veertig jaar lang zegt men. Veertig jaar waarin Mozes leert om herder te zijn. Veertig jaar waarin Israël slavenarbeid doet en zucht en kermt. Een hele generatie gaat voorbij.
 
En dan gloort er hoop.
God hoorde hun jammerkreten en dacht aan het verbond dat hij met Abraham, Isaak en Jakob had gesloten. Hij zag hoe de Israëlieten leden en trok zich hun lot aan.
 
God hoort het ten hemel schreiende onrecht. God staat op. God grijpt in omwille van zijn volk.
 
Dan heeft Egypte het ergste te vrezen.
 
Niet van Mozes, maar van de HEER.
 
Amen.