Schriftlezing: Lucas 13, 22-30

Uitleg en verkondiging

Gemeente van onze Heer Jezus,

Bij de inleiding op deze dienst verwees ik al naar het lied ‘Ik zie een poort wijd open staan’ bekend van de bundel van Johannes de Heer? Voor al bij de generatie nog voor mij een bekend en geliefd lied. Met name ook bij begrafenissen.

Ik zie een poort wijd open staan
Waardoor het licht komt stralen.

Die open poort laat d’ingang vrij
Aan wie komt binnenvlieden.
Aan rijk en arm, aan u en mij

Maar als je Lucas, en Jezus moet geloven, dan staat de poort niet wijd open. Het is maar een smal deurtje, een ‘enge poort’ en je moet er moeite voor doen om je er door heen te wurmen. En of dat nog niet erg genoeg is – op een gegeven ogenblik gaat dat smalle deurtje ook nog eens dicht. En dan kunnen mensen huilen, ze kunnen boos worden, ze kunnen smeken – ze komen er niet in.

Hoe kan je dit nu rijmen met vergeving door God, met geduld van God met zondaren, met de liefde van Jezus voor zondaren? Moet je dan toch goede werken doen? De genade verdienen? En dan zijn het ook nog eens woorden uit de mond van Jezus. Hij verlost ons toch van onze zonden?

Laten we het gedeelte wat nauwkeuriger lezen. Als je een tekst in de context leest helpt dat vaak om die tekst te begrijpen.

Jezus geeft onderricht. Over het komende Koninkrijk van God. Want Jezus profeteerde dat in zijn dagen de HEER God zou ingrijpen, zijn macht zou laten gelden, zoals hij dat in oude tijden voor Israël gedaan had. Dan zou de HEER God heersen door middel van een Messiaanse koning. Gods heerschappij breekt aan. Een heilstijd voor wie hem vereren en naar hem luisteren, zich aan zijn voorschriften houden (de tien geboden).

Dit is geen uitleg over het leven na de dood. Over wie er in de hemel komen of niet. Het gaat over het Koninkrijk van God en dat is hier en nu, in de hemel en op aarde. Overal waar mensen de HEER aanroepen en hem gehoorzamen, daar heerst God. Overal waar mensen de HEER God als koning over hun leven erkennen.

Het gaat vooral over de vraag: voor wie is dat Koninkrijk nu? Wie hebben er profijt van dat God heerst; wie behoren er tot het Koninkrijk – wie genieten Gods koninklijke bescherming.

Jezus vergelijkt het Koninkrijk van God met een huis met een deur. In dat huis is het goed. Je bent er veilig. Als je honger hebt krijg je te eten. Als je verdriet hebt, ontvang je troost. Als je zwak en bang bent, ontvang je moed en kracht. Ben je ziek, ontvang je geduld. Het is goed en gezegend leven in het Koninkrijk. Zo heeft God het bedoeld.

Er zijn heel veel mensen die dat huis binnen willen gaan, zegt Jezus. En dat kun je je wel voorstellen – ieder mens is toch op zoek naar geluk, naar geborgenheid. Iedereen wil wel een gezegend leven. Iedereen wil wel een God waar je werkelijk op terug kunt vallen. Iedereen wil toch vrede, zorg, rust, warme relaties, elke dag te eten en te drinken, hulp als je dat nodig hebt, verzoening, vergeving… dat zijn van die dingen waar God voor zorgt in zijn Koninkrijk, dat is zijn wil – zowel in de hemel als op aarde. Vandaar dat het dringen is voor de deur. Iedereen wil naar binnen.

En het goede nieuws is: Een mens kan dat Koninkrijk, dat huis, zomaar binnen gaan. Je hoeft geen toegangskaartje te kopen. Je hoeft niet te reserveren.

Maar. Er is alleen één ding: de toegang is klein. De deur is smal. Het is een ‘enge poort’ waar je door heen moet. Je mag wel, maar het lukt niet iedereen om zich daar door heen te wurmen.

Waarom is die deur zo smal? Waarom staat die poort niet wijd open, zoals Johannes de Heer graag wil?

Dat is om te voorkomen dat er iemand of iets in dat huis komt, in het Koninkrijk, dat de bewoners schaadt. Wie zich onder de heerschappij van God bevindt die wordt door hem beschermt en daarom worden kwaadwillenden door de Heer tegengehouden. Kwaadwillende mensen horen in het Koninkrijk niet thuis. Zij erkennen de HEER niet als koning en hebben lak aan zijn geboden.

Mensen met een te groot ego bv kunnen niet door die smalle deur. Zij willen graag het huis van de HEER binnen gaan, om daar te halen wat hén gelukkig maakt: macht, aanzien, heersen. Maar zij moeten buiten blijven, om te voorkomen dat ze de mensen binnen gaan vernederen, uitsluiten van zorg, pesten, bestelen, onrechtvaardig zijn, het huis uit willen zetten, oorlogen stichten, zelf god willen zijn. Dat gebeurt niet in het Koninkrijk van God, dat kan niet. Om zijn mensen te beschermen tegen deze bullebakken met zo’n enorm ego heeft de HEER de deur smal gemaakt.

Willen mensen met een groot ego toch binnenkomen, dan blijft hen nog maar één ding over: te worden als een kind. Ze moeten bescheiden worden. Klein worden. Hun opgeblazen hoofd leeg laten lopen. Hun plaats kennen tegen de HEER van het huis en het Koninkrijk. Hun medegasten als broeders en zusters benaderen, als gelijken. Hun streven naar macht afleggen. Als dat grote ego normale proporties heeft – dan kunnen ze naar binnen.

Mensen die bepakt en bezakt zijn met allerlei bezittingen waar ze aan gehecht zijn en die naar binnen willen – die blijven ook steken. Voor hen is geluk: nog rijker worden, nog meer hebben. Maar de rijkdom die ze mee torsen krijgen ze de deur niet door en het Koninkrijk is er ook niet om hen rijker te maken. Ze mogen niet naar binnen omdat ze de andere bewoners tot slaaf maken, uitbuiten, verleiden om dingen te kopen die slecht voor hen zijn om er zelf veel geld mee te verdienen, rücksichtsloos alles verruilen en vergiftigen omwille van de winst. Waar de mammon heerst wordt de aarde een woestijn. In het huis van de HEER is geen plaats voor proteserige paleizen

Dus wordt het kiezen voor mensen die alles doen voor rijkdom: blijf je buiten met je bezit en je begeerte of ga je met lege handen en zonder ballast het Koninkrijk binnen in het vertrouwen dat je van de heer des huizes krijgt wat je nodig hebt? Moeilijk, moeilijk…  Maar in het Koninkrijk heerst de HEER God en niet de mammon. Wat natuurlijk ook wel zo fijn is, want dan hoef je ook geen slaaf van geld te zijn.

Mensen met kwade bedoelingen, bewapend met werktuigen van onrecht en leugen, die kunnen ook niet binnen. Alle hardvochtigheid en kwaadheid en wraak en haat moet afgelegd worden bij de deur. Dat is moeilijk: afzien van wraak. Je woede bedwingen. Je afgunst opzij zetten. Maar in het Koninkrijk van God heerst de barmhartigheid en niet de liefdeloosheid.

Die deur is door de Heer dus met opzet zo smal gemaakt. Om te zorgen dat het Koninkrijk van God inderdaad Gods Koninkrijk blijft. Om degenen die wel door de smalle deur kwamen, de kleinen, de bescheiden mensen, de mensen die weten dat ze te kort schieten, de zondaren die zich bekeerd hebben, de mensen die de nabijheid van God steeds weer zoeken, die het goede voor elkaar zoeken, enz. – om die mensen ter beschermen. Tegen de pestkoppen. Tegen de kwelgeesten. Tegen de mensen die je goede naam door het slijk halen. Tegen de mensen die je aan je lot overlaten. Tegen de werkers der ongerechtigheid, de rechtverkrachters. Tegen verleiders, die hen met leugenverhalen van God willen weghalen. Die kwaadwillende lui blijven buiten.

Dus, dat die deur smal is, is eigenlijk heel goed. En troostend. De HEER beschermt de zijnen tegen ellendelingen.

En dan zegt Jezus, dat die smalle deur ook nog eens een keertje dicht gaat. Op een gegeven ogenblik zal God laten zien dat hij regeert: leugenaars worden ontmaskerd, geld blijkt een onbetrouwbare bondgenoot, macht wankelt, gezondheid verdampt, legers worden ontmanteld, de wereld stort in… 

En dan, ja, dan zullen de buitenblijvers er alsnog bij willen. Dan zullen ze in dat huis hun veiligheid zoeken, om te overleven. Maar de Heer van het huis zegt, vertelt Jezus: “Ik ken jullie niet, waar komen jullie vandaan? Weg met jullie, rechtsverkrachters!”

Waarom laat hij hen niet alsnog binnen? Waarom doet hij ze niet open als ze aankloppen? Ze hebben ervoor gekozen om buiten te blijven, dat klopt. De moeite om door de smalle deur te gaan, was hen te veel – maar nu de nood aan de man is en ze hun vergissing inzien willen ze wel naar binnen. Waarom laat de Heer hen dan niet toe?

Omdat zij zich nog steeds niet echt bekeerd hebben. Nog steeds zoeken zij hun eigen veiligheid, hun eigen geluk, hun eigen begeerte. Hoor wat ze tegen de Heer zeggen: u kent ons toch? Wij kennen u wel hoor.

Wij hebben in uw bijzijn gegeten en gedronken. … voor uw aangezicht staat er in het Grieks; wij hebben voor uw aangezicht gegeten – ja, maar hebben ze ook hun maaltijd met hem gedeeld? Voor uw aangezicht: hij heeft het gezien, hij kon toekijken… En met de armen en de zondaren waar Jezus gewoonlijk mee at? Hebben ze zich ontfermd over wie te kort kwam, hebben ze hun maaltijd gedeeld met die zondaren en tollenaars –  zijn ze van plan om dat te gaan doen?

Wij hebben u in onze straten onderwijs horen geven, zeggen ze – ja, maar ze hebben niet geluisterd. Ze kennen Jezus, ze weten wie hij is – maar ze hebben niet naar hem geluisterd en zijn hem niet gevolgd.

Ze blijven buiten staan. Want, wat zij níet zeggen is: Heer, vergeef ons, wij zaten verkeerd. Zij bekeren zich niet alsnog. Zij volharden in hun zonden. En dan verandert er niets. Vergeving en bekering zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Iemand vergeven die daarna gewoon doorgaat met onheil aanrichten heeft weinig zin, integendeel, die gaat gewoon door.

Jezus zegt tegen hen “Weg met jullie, rechtsverkrachters!” Dat is een citaat uit psalm 6. Daar is een dichter aan het woord die voor zijn leven vreest. In zijn doodsangst wendt hij zich tot de HEER en in zijn gebed schreeuwt hij het uit: weg van mij, alle die kwaad, doen. Weg met jullie rechtsverkrachters! Het zijn de vijanden van God. Degenen die zich tegen Gods barmhartigheid verzetten. Degenen die buiten blijven, die het huis niet binnenkomen, die de smalle deur te smal vonden, dat zijn de volhardende zondaren. Die van geen genade willen weten.

En toch. De vraag was ‘Zullen er weinigen gered worden?’ Uit het antwoord dat Jezus op die vraag geeft, uit dat ogenschijnlijk strenge antwoord… daaruit blijkt zijn liefde en zijn bewogenheid met mensen. Jezus wil niet dat er weinigen behouden worden. Hij dringt er op aan dat mensen moeite doen om door de smalle deur heen het Koninkrijk binnen te gaan. Hij wil zoveel mogelijk mensen in het Koninkrijk hebben, omdat ze dan gered zijn. Veilig zijn. Daarom zegt hij mensen ook onverbloemd de waarheid als ze op de verkeerde weg zitten. Het enige wat een mens dan nog redden kan is … berouw en bekering. Want dan schenkt de HEER genade, dan mag je de enge poort door. Die dan niet meer smal is, maar wijd open staat voor allen die vergeving zoeken. En zelf barmhartig willen zijn.

Uiteindelijke is die smalle deur, die enge poort, een goede boodschap deze morgen. De HEER wil het goede voor ons. Hij wil ons graag in zijn huis, zijn Koninkrijk ontvangen. Hij wil recht en rechtvaardigheid. Hij beschermt wie bij hem toevlucht zoekt. Hij beschermt wie zijn wil doet. Hij wil barmhartigheid en vergeving. Hij wil moed geven en troost en alles wat wij nodig hebben om hem te dienen en onze naaste lief te hebben. Hij wil ons onze zonden vergeven als wij daarom vragen ons bekeren. Willen wij dat ook?

De schriftlezing begon met een vraag aan Jezus: ‘Zullen er weinig gered worden?’ Het antwoord is: aan de HEER God en aan Jezus zal het niet liggen. Zij hebben het heil van allen op het oog.

Amen.